|
De
dwarsfluit is een houten blaas instrument, ook al is ze tegenwoordig
meestal vervaardigd van metaal.
Vroeger werden ze van
hout gemaakt, vandaar dat ze ingedeeld zijn bij de houtblazers.
De dwarsfluit wordt bespeeld door over het mondstuk heen te blazen.
Het fluitspelen is bijna hetzelfde als het blazen op een fles, je blaast
de lucht niet in de fles, maar op de rand, zodat de luchtstroom in twee
stromen wordt gesplitst. Een gedeelte van de lucht gaat in de buis (of
fles) en een gedeelte gaat over de rand heen. Zo ontstaat de toon.
Het is het enige instrument, naast de piccolo, dat zijdelings wordt
bespeeld.
Het is
een holle buis voorzien van een cilindrische boring met gaten en
kleppen.
In de tweede helft van de negentiende eeuw ontwierp Theobald Böhm een
kleppensysteem dat ook bij de klarinet wordt toegepast.
Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument
zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten
van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken.
De dwarsfluit wordt in elk modern orkest gebruikt.
Het instrument heeft een warme, heldere klank.
In dezelfde groep van
de dwarsfluit hoort ook nog de piccolo, of zoals de orginele italiaanse
naam is: flauto piccolo.
De Piccolo is het kleinste instrument van de
fluit-familie.
Hij is half zo groot als de dwarsfluit en de klank is een
octaaf (8 tonen) hoger.
Het instrument heeft een helder, schril en doordringend
geluid en komt boven alle andere orkestinstrumenten uit.
De piccolo wordt door veel componisten gebruikt om extra
kleur in het orkest te brengen.
terug
naar instrumentenpagina
|